
Jurisprudentie
AR7634
Datum uitspraak2004-12-09
Datum gepubliceerd2004-12-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/4788 BPW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/4788 BPW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing aanvraag van eiser om toekenning van een buitengewoon pensioen kan rechterlijke toets doorstaan.
Uitspraak
02/4788 BPW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (Venezuela), eiser,
en
de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 18 april 2002, kenmerk 86110, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet), welk besluit in fotokopie aan deze uitspraak is gehecht.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de Raad. In het beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Bij uitspraak van 23 april 2003 heeft de Raad dit beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift niet tijdig was ingediend.
Het door eiser tegen deze uitspraak gedane verzet heeft de Raad - na behandeling daarvan ter zitting op 5 februari 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen - bij uitspraak van 18 maart 2004 gegrond verklaard, onder overweging dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest.
Het geding is vervolgens op de gewone wijze voortgezet.
Verweerster heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 oktober 2004, alwaar eiser niet is verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiser in november 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem op grond van de Wet een buitengewoon pensioen toe te kennen.
Ingevolge artikel 24, derde (vóór 1 januari 2001: tweede) lid, van de Wet moet degene die een aanvraag heeft ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen krachtens de Wet, kunnen wijzen op een verklaring van de Stichting 1940-1945, waaruit blijkt dat hij heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet en/of tot één van de categorieën van personen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet op wie de Wet van overeenkomstige toepassing is.
Bij schrijven van 27 juli 2000 heeft de Stichting 1940-1945 aangegeven na ingesteld onderzoek niet te kunnen verklaren dat eiser heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet, alsmede dat naar haar oordeel artikel 1, tweede lid, van de Wet niet van toepassing is.
Ingevolge artikel 24, vierde (derde) lid, van de Wet, kan verweerster, indien de Stichting 1940-1945 een voor de betrokkene negatieve verklaring heeft afgegeven, niettemin buitengewoon pensioen verlenen, indien naar haar oordeel de belanghebbende daarop anders aanspraak had kunnen maken.
Verweerster heeft echter bij besluit d.d. 22 september 2000, zoals na gemaakt bewaar gehandhaafd - overeenkomstig het nader bericht van de Stichting 1940-1945 van 21 februari 2002 - bij het bestreden besluit, geen termen aanwezig geacht deze bepaling ten aanzien van eiser toe te passen en mitsdien de aanvraag van eiser om toekenning van een buitengewoon pensioen afgewezen.
Nu niet is gebleken van strijd met de wet en het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid van verweerster, dient de Raad na te gaan of gezegd moet worden, dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Bij zijn aanvraag om buitengewoon pensioen heeft eiser, geboren in 1923, gewezen op - samengevat - zijn lidmaatschap van een illegale organisatie vanaf 1941/1942, verspreiding van illegale lectuur van 1942 tot 1944, betrokkenheid bij vervoer van wapens en wapeninstructie vanaf 1942/1943, hulp aan joodse landgenoten waaronder het onderbrengen van een onderduiker, alsmede lidmaatschap van de OD en de BS vanaf september 1944. Verder heeft eiser aangegeven dat hij ook ondergedoken is geweest. Over al deze activiteiten heeft eiser gedetailleerde eigen verklaringen verstrekt.
De Stichting 1940-1945 heeft naar aanleiding van eisers aanvraag uitvoerig onderzoek doen verrichten aan de hand van beschikbare historische informatie, zoals onder meer neergelegd in literatuur, archieven en dossiers van erkende verzetsdeelnemers. Voorts zijn mogelijke getuigen en referenten benaderd, waaronder met name eisers zuster.
Op grond van de resultaten van dat onderzoek is geconcludeerd - mede ook vanwege het ontbreken van duidelijke getuigenverklaringen - dat weliswaar sprake is geweest van enige als verzetsdaden te kwalificeren activiteiten, maar dat niet is kunnen blijken dat bedoelde activiteiten het niveau van verzet in de zin van de Wet hebben bereikt. In dat verband is in aanmerking genomen dat alleen van enige verspreiding van illegale lectuur en van hulp aan joodse landgenoten - met name het onderbrengen van een onderduiker - bevestiging is verkregen, alsmede van het lidmaatschap van de OD (Ordedienst) en de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) vanaf september 1944, maar niet van verdergaande activiteiten. Voorts is overwogen dat uit eisers eigen verklaringen is af te leiden dat geen sprake is geweest van als verzet te beschouwen (principiële) onderduik.
De Raad heeft, gelet op de voorhanden gegevens, geen grondslag kunnen vinden om het standpunt van verweerster betreffende eisers gestelde verzetsactiviteiten aan te tasten. Daarbij kan de Raad - hoezeer ook begrip kan bestaan voor eisers klacht dat inmiddels, vanwege het tijdsverloop, eventuele getuigen vrijwel alle zijn overleden - niet voorbijgaan aan het, ondanks uitvoerig en zorgvuldig onderzoek, ontbreken van voldoende ondersteunende externe gegevens en getuigenverklaringen. De door eiser nog ingebrachte bedankbrief van Prins Bernard voor bewezen diensten in het kader van de BS en door een erkend verzetsman verstrekte aanbevelingsbrieven ten behoeve van het verkrijgen van werk - waarin eiser een goed illegaal werker wordt genoemd - bevatten geen details en kunnen als zodanig niet van doorslaggevende betekenis zijn.
Voorts merkt de Raad op dat hij al eerder heeft aanvaard het, in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster dat alleen dan van als verzet aan te merken, zogenoemde “principiële” onderduik kan worden gesproken indien, onder meer, is voldaan aan de voorwaarde dat de betrokkene alles heeft gedaan wat in zijn omstandigheden redelijkerwijs van hem mag worden verwacht om uit handen van de vijand te blijven. Eiser is evenwel bij een razzia in verband met de zogenoemde Arbeidsdienst opgepakt en is daarna ook enige tijd in Duitsland tewerkgesteld geweest, alwaar hij zich - naar eisers verklaring - met de hulp van een “goede” verpleegster arbeidsongeschikt heeft kunnen laten verklaren.
Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit de eerderomschreven rechterlijke toetsing kan doorstaan. Voor vernietiging van dit besluit bestaat dan ook geen grond.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om verweerster te veroordelen in de door eiser in verband met zijn verzet tegen de uitspraak van 23 april 2003 gemaakte kosten, welke aan de hand van door eiser terzake verstrekte gegevens zijn begroot op € 812,91 als reis- en verblijfkosten. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat uit in verzet aangedragen gegevens is gebleken dat de bewuste termijnoverschrijding mede in de hand is gewerkt door onjuiste door verweerster aan eiser verstrekte informatie.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 812,91, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) C. Dierdorp.
HD
23.11
+B

